vrijdag 30 maart 2012

Ali Ben Libi

Ben Ali Libi
Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi. Goochelaar.

Met een lach en een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bosjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een boem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In 't concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie,
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.

Gedicht van Willem Wilmink


Joodse artiesten in de amusementswereld 'Wie het heeft over de geschiedenis van het amusement in Nederland, heeft het over de geschiedenis van de Joden'. (Jacques Klöters). Voortgekomen uit de kermis, waar veel joden hun vrijplaats vonden, stonden er halverwege de 19e eeuw een aantal Joodse artiesten op zoals Judels, de oprichter van de salon, Bamberg, Solser, de familie Davids en Nico de Haas. Hun faam was groot, avond aan avond stonden zij voor volle zalen in de Nes en in het Casino in Rotterdam. Tegen het eind van de 19e eeuw, toen het uitgaansleven zich van de Nes had verplaatst naar de Amstelstraat en het Rembrandtplein, waren alle topartiesten joden: Louis Davids, met zijn Zusjes Rika en Heintje, Maurice Dumas, die schunnige liedjes zong, Eduard Jacobs, die het cabaret in Nederland introduceerde, Léon Boedels, stalmeester van de Flora en de populairste man van de Amstelstraat. Toen in de jaren 20 de film een geduchte concurrent werd, waren het jonge Joodse artiesten die dansorkesten oprichtten die swing en jazz speelden. Veel kleine Joodse artiesten, zoals de goochelaar prof. Ali Ben Libi, konden optreden in de vele buurtbioscopen in varietéprogramma's. Overigens waren de meeste joodse artiesten sterk geassimileerd; om succes te hebben bij het grote publiek was het het beste om hun joodse identiteit niet te etaleren. Dat kon altijd nog in het Tiptop-theater op de Jodenbreestraat, waar het publiek overwegend joods was. Vele van deze artiesten, schnabbelaar of coryfee, hebben de oorlog niet overleefd. Zoals Johnny and Jones, populair geworden bij de Vara-radio. In Westerbork hebben ze maar een paar keer in de beruchte revue opgetreden, die meestal plaatsvond op de avond na het transport, de kampcommandant op de voorste rij. Door hun werk in de vliegtuigsloperij kwamen ze af en toe buiten het kamp, hun vrouwen bleven achter als gijzelaars. Hun laatste opname is uit 1944, 'De Westerbork-serenade', waarin geen woord over de honger, de angst, of de transporten. Ondanks een aanbod daartoe zijn ze niet ondergedoken, overtuigd dat hun roem hen zou beschermen. Zomer 1945 zijn beiden overleden.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten